Een medewerker vertrekt. Het contract wordt afgemeld bij de loonadministratie, de laptop gaat terug, en het personeelsdossier verdwijnt in een map — digitaal of op papier — die daarna niemand meer opent. Niet omdat het niet belangrijk is, maar omdat er geen moment is waarop iemand beslist: dit mag nu weg, of dit moet nog blijven.
Bij een hoveniersbedrijf of uitzendbureau met veel seizoenskrachten loopt dit snel op. Na een paar jaar staan er tientallen dossiers van mensen die al lang niet meer in dienst zijn, met gegevens die eigenlijk al verwijderd hadden moeten zijn. Bij een advocatenkantoor of installatiebedrijf met weinig verloop merk je het juist andersom: er is geen systeem dat bijhoudt wanneer een dossier aan de beurt is, dus blijft alles gewoon staan.
Beide situaties zijn een probleem. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verplicht je om persoonsgegevens niet langer te bewaren dan nodig — dat heet opslagbeperking. Tegelijkertijd verplicht de Belastingdienst je om bepaalde gegevens juist een vaste periode te bewaren. Die twee eisen lopen door elkaar, en zonder een vast moment om dossiers te beoordelen, kies je vrijwel altijd verkeerd: te lang, te kort, of gewoon niets.
