← Alle artikelen

Bedrijfsopvolgingsregeling 2026: dit levert de BOR je op

Oarized · 31 oktober 2026

Wat is de BOR, en voor wie

Erf of krijg je een onderneming geschonken, dan betaal je daarover in principe erf- of schenkbelasting over de waarde van die onderneming. De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) is een uitzondering: zet je de onderneming voort, dan krijg je vrijstelling of uitstel van betaling. Dat staat zo in de officiële brochure van de Belastingdienst over de BOR voor 2026.

De regeling geldt voor een eenmanszaak, voor aandelen in een vof of ander samenwerkingsverband, en voor aandelen in een nv of bv. Een harde voorwaarde: het moet gaan om een lopende onderneming, met echte ondernemingsactiviteiten. Alleen beleggen telt niet, ook niet als het vermogen via een bv loopt.

Er geldt ook een bezitstermijn voor wie de onderneming overdraagt. Bij een erfenis moet de overledene minstens 1 jaar eigenaar van de onderneming zijn geweest. Bij een schenking moet de schenker minstens 5 jaar eigenaar zijn geweest. Schenk je de onderneming, dan geldt bovendien een minimumleeftijd van 21 jaar voor degene die de onderneming krijgt; bij een erfenis geldt geen minimumleeftijd. Is de schenker of erflater fors ouder dan de AOW-leeftijd, dan loopt de vereiste bezitstermijn op: een half jaar extra voor elk jaar dat hij of zij meer dan 6 jaar (bij schenking) of 2 jaar (bij overlijden) boven de AOW-leeftijd zit.

Hoeveel vrijstelling je in 2026 krijgt

De hoogte van de vrijstelling hangt af van de waarde van de onderneming. De Belastingdienst rekent daarbij met twee waarden: de goingconcernwaarde (de onderneming als lopend geheel, inclusief goodwill) en de liquidatiewaarde (de som van de losse bedrijfsmiddelen). Voor de belasting geldt steeds de hoogste van de twee.

In 2026 ligt de grens op €1.543.500. Is de goingconcernwaarde niet hoger dan dat bedrag, dan krijg je 100% vrijstelling over die waarde (of over de liquidatiewaarde, als die hoger is). Is de goingconcernwaarde hoger dan €1.543.500, dan krijg je 100% vrijstelling tot die grens, en 75% vrijstelling over het bedrag daarboven.

De Belastingdienst geeft zelf een rekenvoorbeeld: twee broers erven samen een onderneming met een goingconcernwaarde van €2.000.000, ieder voor hun eigen aandeel. De vrijstelling over de eerste €1.543.500 is 100%, en over de resterende €456.500 geldt 75% vrijstelling, dus €342.375. De totale vrijstelling komt daarmee op €1.885.875, verdeeld naar verhouding van ieders aandeel in de onderneming. Bij een onderneming tot ruim anderhalf miljoen euro betaal je dus per saldo geen erf- of schenkbelasting over het bedrijfsvermogen zelf, mits je aan de overige voorwaarden voldoet.

Uitstel van betaling over het restant

Is het ondernemingsvermogen hoger dan €1.543.500, dan blijft er na de vrijstelling nog een deel over waarover je gewoon erf- of schenkbelasting moet betalen. Voor dat deel kun je uitstel van betaling aanvragen. Krijg je dat uitstel, dan ontvang je een conserverende aanslag: je hoeft dat bedrag niet meteen te betalen, en je mag er volgens de Belastingdienst-brochure maximaal 10 jaar over doen. Betaal je het bedrag uiteindelijk, dan reken je daarbovenop invorderingsrente.

Stop je binnen die 10 jaar met de onderneming, dan trekt de Belastingdienst het uitstel in en moet je de resterende belasting eerder betalen. Dit uitstel is dus geen kwijtschelding, maar een manier om de belastingdruk te spreiden over de jaren waarin de onderneming (hopelijk) winst maakt, in plaats van in één keer bij de overdracht.

Er is nog een derde faciliteit voor een specifieke situatie: zijn er meerdere erfgenamen en zet niet iedereen de onderneming voort, dan krijgen de erfgenamen die niet voortzetten vaak een vordering op degenen die dat wel doen. Over die vordering kunnen zij eveneens tot 10 jaar uitstel van betaling krijgen, met invorderingsrente over de uitgestelde termijn.

De voortzettingstermijn van drie jaar

De vrijstelling is niet onvoorwaardelijk: je moet de onderneming minstens 3 jaar voortzetten. Gaat het om aandelen in een nv of bv, dan moet je minstens 3 jaar eigenaar van die aandelen blijven, én moet de vennootschap de onderneming in die periode blijven drijven.

De Belastingdienst-brochure noemt concrete situaties waarin je niet meer aan dit voortzettingsvereiste voldoet: je verkoopt (een deel van) de onderneming of de aandelen, je gaat een samenwerkingsverband aan, de onderneming gaat failliet, of je wijzigt de bedrijfsactiviteit. Gebeurt dat binnen 3 jaar, dan vervalt de vrijstelling (deels), en moet je alsnog erf- of schenkbelasting betalen over het bedrag waarvoor je vrijstelling had gekregen.

Een voorbeeld uit de brochure: een dochter erft een bakkerij en krijgt een vrijstelling van €1.600.000. Na 2 jaar verkoopt ze de bakkerij. Daarmee voldoet ze niet meer aan de 3-jaarstermijn, en vervalt de hele vrijstelling van €1.600.000 alsnog. Voldoe je niet meer aan het voortzettingsvereiste, dan moet je dat binnen 8 maanden na dat moment zelf melden bij de Belastingdienst, met het formulier "Aangifte niet voldoen aan het voortzettingsvereiste".

Wanneer de BOR niet van toepassing is

De BOR is een regeling binnen de erf- en schenkbelasting. Verkoop je je onderneming tegen de normale marktprijs aan een opvolger, zonder dat er een schenkingselement in zit, dan speelt de BOR niet: dan gelden de gewone regels voor inkomsten- of vennootschapsbelasting over de verkoopwinst, niet de erf- en schenkbelasting. De BOR is dus relevant bij een gift of een erfenis, niet bij een zakelijke verkoop tegen volle waarde.

Ook bij beleggingsvermogen helpt de BOR niet. De Belastingdienst rekent expliciet alleen een lopende onderneming mee; het vermogen van een bv die vooral belegt, valt buiten de regeling, ook als de aandelen via een schenking of erfenis overgaan.

Verder is de BOR geen vervanging voor een goed voorbereide overdracht. De KVK-gids voor bedrijfsverkoop beschrijft het verkoopproces in zes stappen, van oriëntatie tot de periode na de overdracht, en noemt dat het hele traject gemakkelijk een paar jaar in beslag kan nemen. Wacht je tot vlak voor de overdracht met nadenken over de fiscale kant, dan loop je het risico dat je niet meer aan de bezitstermijn voldoet, of dat de waardering van de onderneming op het verkeerde moment wordt vastgesteld. De fiscale regeling en de praktische voorbereiding horen dus bij elkaar, niet los van elkaar.