Onder "arbeidsmiddelen" valt alles waarmee je werkt: van een boormachine en een grasmaaier tot een steiger, een heftruck of een compressor. Het Arbobesluit maakt onderscheid tussen twee verplichtingen die vaak door elkaar worden gehaald.
De eerste is een onderhoudsplicht: elk arbeidsmiddel moet in goede staat blijven en voldoen aan de eisen waaraan het bij fabricage moest voldoen (artikel 7.5). Daarvoor houd je een onderhoudsboek bij.
De tweede is een keuringsplicht (artikel 7.4a), en die geldt niet automatisch voor alles. Hij is aan de orde in twee situaties: als de veiligheid afhangt van de manier waarop het arbeidsmiddel is geïnstalleerd (keuring na installatie), of als gebruik en slijtage kunnen leiden tot een gevaarlijke situatie (periodieke keuring).
Als werkgever moet je zelf beoordelen welke van deze twee verplichtingen op elk arbeidsmiddel van toepassing is. Dat gebeurt niet centraal door een instantie die je een lijst stuurt — het is jouw verantwoordelijkheid om dit per arbeidsmiddel vast te stellen, meestal als onderdeel van je risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Voor een schoonmaakbedrijf met alleen handgereedschap ziet die beoordeling er heel anders uit dan voor een aannemer met steigers, hijsmiddelen en elektrisch gereedschap op meerdere bouwplaatsen tegelijk.
