"Ik heb hem toch gewaarschuwd" is een zin die je op de bouwplaats vaak hoort, en in een geschil vaak niets waard blijkt. Een monteur zag iets vreemds aan de fundering, belde de klant, en dacht daarmee klaar te zijn. Tot de klant achteraf beweert dat hij nooit iets gehoord heeft, of dat hij het probleem heel anders heeft begrepen dan bedoeld.
Sinds de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) op 1 januari 2024 inging, is dit geen welles-nietes meer. Artikel 7:754 van het Burgerlijk Wetboek kreeg een tweede lid dat vastlegt hoe een aannemer moet waarschuwen, en een telefoontje voldoet daar niet aan. Dat bevestigt het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO), het informatiepunt van Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen over regels voor de fysieke leefomgeving: in een praktijkvoorbeeld over een scheve schuur bleek een mondelinge, telefonische waarschuwing over een gebrek aan de fundering niet te voldoen aan de wet, omdat de waarschuwing schriftelijk moet zijn.
Het punt is niet dat waarschuwen nieuw is — die plicht bestond al. Het punt is dat de vorm er sinds 2024 toe doet. Een aannemer die alleen belt of op de bouwplaats iets roept, kan achteraf niet meer aantonen dat hij zijn waarschuwingsplicht is nagekomen. En zonder dat bewijs draait de aansprakelijkheid voor een gebrek weer terug naar de aannemer, ook als de oorzaak feitelijk bij de opdrachtgever lag.
