Een project van drie maanden met €40.000 aan materiaal dat je zelf inkoopt, kost je eerst geld voordat je er iets aan verdient. Je betaalt de leverancier, de onderaannemer en de uren van je mensen, en pas bij oplevering — of bij een tussentijdse termijn — komt daar geld voor terug. Bij één project is dat te overzien. Bij drie of vier gelijktijdige projecten loopt de voorfinanciering snel op tot een bedrag dat je werkkapitaal echt onder druk zet.
Een aanbetaling lost dat voor een deel op. Je vraagt een deel van de aanneemsom vooraf, meestal gekoppeld aan de inkoop van materiaal of aan de start van de werkzaamheden. Dat is geen uitzondering en geen teken van wantrouwen naar de klant — in de bouw, installatietechniek en interieurbouw is het gangbaar, juist omdat de materiaalkosten vaak voor rekening van de opdrachtnemer vooruit worden betaald.
Het verkleint ook een ander risico: een klant die halverwege afhaakt of niet kan betalen, terwijl jij al materiaal hebt ingekocht en uren hebt gemaakt. Een aanbetaling neemt dat risico niet weg, maar beperkt hoeveel je kwijt kunt zijn voordat je het merkt.
Waar het vaak misgaat, is niet de vraag óf je een aanbetaling vraagt, maar hoe je die vervolgens verwerkt in je facturatie en je btw-aangifte. Daar gaat de rest van dit artikel over.
