← Alle artikelen

Blusmiddelen keuren en bijhouden: wat de wet vraagt en wat verzekeraars vaak eisen

Oarized · 30 september 2026

Wat de wet vraagt

Heb je een bedrijfspand met wettelijk verplichte blusmiddelen, dan geldt een harde ondergrens. Artikel 6.35 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) schrijft voor dat een draagbaar of verrijdbaar blustoestel dat verplicht is gesteld, minimaal eens per twee jaar wordt onderhouden en gecontroleerd op goede werking. Hetzelfde geldt voor een brandslanghaspel die verplicht is gesteld.

Dat 'verplicht gesteld' is een precisering die vaak over het hoofd wordt gezien: de regel geldt voor blusmiddelen die volgens de bouwregelgeving aanwezig moeten zijn, niet automatisch voor elk blusapparaat dat toevallig in een pand hangt. Heb je extra blussers neergezet zonder dat de bouwregelgeving dat eist, dan valt dat er strikt genomen buiten — al is onderhoud dan natuurlijk nog steeds verstandig.

Voor de manier waarop je keurt, verwijst de praktijk naar NEN 2559. Deze norm is in het Bbl zelf niet meer letterlijk aangewezen, maar geldt volgens het Informatiepunt Leefomgeving nog altijd als voldoende basis om aan de onderhouds- en controleplicht te voldoen. Een keuring volgens NEN 2559 doe je niet zelf: dat is werk voor een deskundig bedrijf, meestal een gecertificeerde onderhoudsmonteur.

Wat verzekeraars vaak extra eisen

De wettelijke twee jaar is een minimum, geen advies. In de praktijk hanteren nogal wat brand- en opstalverzekeraars een kortere termijn in hun polisvoorwaarden. Vaste blusvoorzieningen, zoals een brandslanghaspel, worden volgens branche-informatie van Koninklijke Horeca Nederland doorgaans jaarlijks door een vakbedrijf gecontroleerd, waarbij niet alleen de werking wordt getest maar ook de doorstroom van de klep en het risico op legionella.

Voor draagbare blussers meldt dezelfde bron dat sommige brand- en opstalpolissen een jaarlijkse controle voorschrijven, terwijl de wet met twee jaar volstaat. Dat verschil is precies waar het misgaat: een ondernemer die zich aan het wettelijk minimum houdt, kan toch buiten de polisvoorwaarden vallen.

Ga dus na wat er in jouw polis staat, niet alleen wat de wet zegt. Vraag je verzekeraar of tussenpersoon concreet: welke keuringsfrequentie staat er in de voorwaarden, en welk bewijs (rapport, sticker, factuur) moet je kunnen tonen als er ooit schade wordt geclaimd? Dat laatste is geen formaliteit — het is precies het bewijs dat een verzekeraar opvraagt bij een schademelding.

Hoe je dit in de praktijk bijhoudt

Bij één blusser in de kantine is een keuringssticker op het apparaat genoeg. Bij een pand met tien blussers, twee haspels en misschien een tweede vestiging, is een sticker geen overzicht meer — dan moet je actief nagaan welk apparaat wanneer aan de beurt is, in plaats van dat het je toevallig opvalt.

Een werkbare aanpak is een eenvoudige lijst — een spreadsheet volstaat prima — met per blusmiddel: het type, de locatie, de datum van de laatste keuring, de eerstvolgende vervaldatum, en de naam van het bedrijf dat de keuring deed. Zet de eerstvolgende vervaldatum er expliciet bij in plaats van alleen de laatste keuringsdatum: dat is het veld waar je straks op wilt sorteren of filteren.

Bewaar de keuringsrapporten en facturen van het onderhoudsbedrijf apart, bijvoorbeeld per jaar. Dat is het bewijs dat je nodig hebt bij een controle van de Arbeidsinspectie of bij een schademelding aan je verzekeraar. Losse keuringsstickers op de apparaten zelf blijven daarnaast nuttig als visuele check voor wie het pand rondloopt, maar vervangen het overzicht niet — een sticker vertelt je niet wanneer het volgende apparaat in een ander pand aan de beurt is.

Wat er misgaat als je het niet bijhoudt

Twee partijen kunnen je erop aanspreken: de overheid en je verzekeraar. De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op brandveiligheid op de werkvloer en kan bij gebreken beginnen met een waarschuwing of boete. Bij een acuut gevaarlijke situatie kan een inspecteur werkzaamheden stilleggen of het pand (deels) laten sluiten totdat de zaak op orde is, zo blijkt uit de informatie van MKB Servicedesk over brandveiligheid.

De tweede partij is minstens zo relevant, en wordt vaker over het hoofd gezien: je verzekeraar. Dezelfde bron wijst erop dat een verzekeraar de schade-uitkering na een brand (deels) kan weigeren als blijkt dat je onvoldoende maatregelen had genomen om brand te voorkomen of te bestrijden — waaronder het niet op orde hebben van verplichte blusmiddelen. Dat risico speelt niet bij de dagelijkse gang van zaken, maar precies op het moment dat je de uitkering het hardst nodig hebt.

Een derde, minder zichtbaar gevolg: bij verkoop, verhuur of herfinanciering van een bedrijfspand vraagt een koper, huurder of bank soms om een dossier met keuringsbewijzen. Kun je dat niet compleet aanleveren, dan is dat een vertragende factor in een proces waar tijd meestal geld kost.

Wanneer dit voor jou niet speelt

Niet elk bedrijf heeft hier een systeem voor nodig. Werk je vanuit een kleine kantoorruimte zonder dat de bouwregelgeving blusmiddelen verplicht stelt, dan is een uitgebreid keuringsregister overkill — een enkele blusser met een leesbare sticker en een agenda-herinnering is dan voldoende.

Huur je een pand waarbij de verhuurder verantwoordelijk is voor de blusmiddelen in gemeenschappelijke ruimtes (denk aan een kantoorverdieping in een groter gebouw), dan ligt die plicht en dus ook de bijhoudplicht meestal bij de verhuurder of beheerder. Vraag dat na in het huurcontract in plaats van er zelf een systeem voor op te tuigen — dubbel werk helpt niemand.

En heb je maar één of twee blusmiddelen op één locatie, dan is een spreadsheet met tien kolommen overdreven. Een aantekening in de agenda op de vervaldatum, met de factuur van de laatste keuring in je administratie, dekt dan hetzelfde risico met een fractie van de moeite.