Je trekt de btw op een investering meestal in één keer af, in het jaar dat je de factuur krijgt. De hoogte van die aftrek hangt af van hoe je het bedrijfsmiddel op dat moment gebruikt. Koop je een machine die je voor 100% inzet voor belaste omzet, dan trek je de volledige btw af. Gebruik je een pand voor de helft voor belaste verhuur en voor de helft voor vrijgestelde verhuur, dan trek je de helft van de btw af.
Het probleem is dat zo'n gebruik verandert. Je verhuurt een pand nu aan een btw-plichtige huurder, maar over drie jaar aan een partij die vrijgesteld is. Je zet een machine eerst volledig in voor belaste productie, maar later deels voor een nevenactiviteit die niet belast is. De Belastingdienst rondt de aftrek daarom niet in het jaar van aanschaf definitief af, maar volgt die nog een aantal jaren. Wijkt het gebruik in een van die jaren meer dan 10% af van het gebruik in het jaar van ingebruikname, dan moet je een deel van de eerder afgetrokken btw terugbetalen. Stijgt het belaste gebruik juist, dan mag je andersom een deel extra terugvragen. Dat tweede scenario wordt in de praktijk vaak over het hoofd gezien, terwijl het net zo vaak voorkomt als een toename van verhuur aan belaste huurders of een verschuiving van activiteiten binnen hetzelfde bedrijf.
Deze regel heet herziening van de btw-aftrek. De uitleg van de Belastingdienst beschrijft het mechanisme, en die pagina is ook de bron voor de termijnen die hieronder staan.
