Typ "camerabeelden bewaartermijn" in Google en je krijgt overal hetzelfde antwoord: vier weken. Beveiligingsbedrijven noemen het, advieskantoren noemen het, en sommige juridische blogs noemen het zelfs "de wettelijke bewaartermijn".
Dat getal komt uit een ouder beleidsdocument van het inmiddels opgeheven College bescherming persoonsgegevens, de voorganger van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Op de huidige website van de AP en op het Ondernemersplein van de Rijksoverheid — de twee instanties die voor Nederlandse bedrijven bepalen wat wel en niet mag met camerabeelden — staat geen vast aantal weken meer.
Wat er wel staat, is een andere regel, en die is in de praktijk strenger omdat ze geen vaste deadline geeft waarachter je je kunt verschuilen. "U bewaart camerabeelden niet langer dan nodig is," schrijft het Ondernemersplein. De AP formuleert het vrijwel letterlijk zo: "U mag de camerabeelden niet langer bewaren dan noodzakelijk is."
Het verschil is niet cosmetisch. Een vaste termijn van vier weken zou je vrijspreken zodra je beelden na die periode wist, wat je ook filmde of waarom. "Niet langer dan noodzakelijk" vraagt juist dat je per situatie kunt uitleggen waarom je de beelden nog hebt. Film je de kassa om diefstal te voorkomen, dan is de standaardbewaartijd van je beveiligingssysteem meestal verdedigbaar, zolang je die kunt onderbouwen. Is er een incident vastgelegd — een inbraak, diefstal door een medewerker — dan mag je die beelden bewaren tot de zaak is afgehandeld, ook als dat langer dan een maand duurt.
