← Alle artikelen

Fiscale eenheid vennootschapsbelasting: voorwaarden, aanvragen en het nadeel dat vaak wordt vergeten

Oarized · 3 november 2026

Wat een fiscale eenheid vennootschapsbelasting is

Heb je meerdere bv's, dan kun je de Belastingdienst vragen om die voor de vennootschapsbelasting als één belastingplichtige te behandelen. Dat heet een fiscale eenheid vennootschapsbelasting (vpb), geregeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Het directe voordeel: je dient nog maar één aangifte vennootschapsbelasting in voor de hele groep, in plaats van een aparte aangifte per bv. Winsten en verliezen van de deelnemende bv's worden binnen hetzelfde jaar automatisch met elkaar verrekend. Maakt je ene bv winst en de andere verlies, dan betaal je in dat jaar belasting over het saldo, niet over de winst van de ene bv terwijl het verlies van de andere bv blijft liggen tot een later jaar.

Belastingdienst wijst erop dat een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting iets anders is dan een fiscale eenheid voor de btw. Voor de btw ontstaat de eenheid automatisch zodra bedrijven financieel, organisatorisch en economisch met elkaar verweven zijn. Voor de vpb moet je er zelf om vragen, en gelden andere voorwaarden. Je kunt het een hebben zonder het ander.

Je bv's blijven na het aangaan van de eenheid gewoon bestaan, ook juridisch. Alleen voor de vennootschapsbelasting telt de dochter niet langer als zelfstandig belastingplichtige: de resultaten gaan naar de moedermaatschappij, die de gecombineerde aangifte indient.

De voorwaarden: bezit, rechtsvorm, boekjaar en vestigingsplaats

De belangrijkste voorwaarde is de bezitseis. Volgens de Belastingdienst moet de moedermaatschappij minimaal 95% van de aandelen in de dochter bezitten, recht hebben op minimaal 95% van de winst en het vermogen van de dochter, en minimaal 95% van het stemrecht hebben. Een meerderheidsbelang van bijvoorbeeld 80% is dus niet genoeg.

Daarnaast gelden eisen aan de rechtsvorm. De moeder moet een bv, nv, onderlinge waarborgmaatschappij, coöperatie zijn, of een stichting of vereniging die als woningcorporatie optreedt (of een vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm). De dochter moet een bv of nv zijn, of een vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm. Een eenmanszaak, vof of maatschap kan dus nooit onderdeel zijn van een fiscale eenheid vpb, simpelweg omdat die niet zelfstandig vennootschapsbelastingplichtig zijn.

Beide vennootschappen moeten hetzelfde boekjaar hanteren en dezelfde regels voor winstbepaling gebruiken, en feitelijk in Nederland gevestigd zijn. Een vestiging die alleen op papier in Nederland staat maar feitelijk vanuit het buitenland wordt geleid, voldoet niet.

Er zijn twee specifieke uitzonderingen waarbij een buitenlandse schakel toch is toegestaan: een Nederlandse moeder met een Nederlandse kleindochter waarvan de aandelen via een tussenmaatschappij in een andere EU-lidstaat worden gehouden, en Nederlandse zustermaatschappijen die allebei worden gehouden door dezelfde topmaatschappij in een andere EU-lidstaat. In beide gevallen doet alleen de Nederlandse schakel mee aan de fiscale eenheid, de buitenlandse tussen- of topmaatschappij niet.

Hoe je een fiscale eenheid aanvraagt

Een fiscale eenheid vpb ontstaat niet automatisch, ook niet als je aan alle voorwaarden voldoet. Je moet er zelf om vragen bij de Belastingdienst, met het formulier Verzoek om een fiscale eenheid, deel A. Moeder en dochter ondertekenen dit verzoek samen.

De Belastingdienst zelf meldt op dat formulierpagina een beslistermijn: "Wij beslissen binnen 8 weken op uw verzoek." Je weet dus niet meteen of de eenheid wordt toegekend, en moet rekening houden met die verwerkingstijd.

Over hoe ver een verzoek met terugwerkende kracht kan gaan, is de officiële voorwaardenpagina van de Belastingdienst niet expliciet. Belastingadviseurs melden regelmatig een maximale terugwerkende kracht van enkele maanden, maar omdat dit nergens op de Belastingdienst-pagina's zelf met een harde termijn staat, is dit geen cijfer dat je blind moet aanhouden. Vraag dit bij het indienen van je verzoek, of via je boekhouder of fiscalist, na voor de situatie waarin je bv's zich bevinden. In de praktijk is het verstandig om een fiscale eenheid ruim voor de gewenste ingangsdatum aan te vragen, niet pas achteraf bij het opmaken van de jaarrekening.

Een fiscale eenheid verbreken kan ook, op gezamenlijk verzoek van moeder en dochter. Dat werkt niet terug: de eenheid eindigt op het moment dat de Belastingdienst het verzoek ontvangt, niet eerder. En zodra een bv niet langer aan de voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld omdat het belang onder de 95% zakt, eindigt de eenheid voor die bv automatisch.

Het nadeel dat vaak over het hoofd wordt gezien

De vennootschapsbelasting kent twee tariefschijven. Volgens de tarievenpagina van de Belastingdienst betaal je in 2026 19% over de eerste € 200.000 belastbare winst, en 25,8% over het meerdere. Dat lage tarief van 19% geldt per belastingplichtige, en binnen een fiscale eenheid is dat de eenheid als geheel, niet elke bv apart.

Rekenvoorbeeld: twee bv's maken elk € 300.000 winst, samen € 600.000.

Zonder fiscale eenheid betaalt elke bv afzonderlijk 19% over de eerste € 200.000 (€ 38.000) en 25,8% over de resterende € 100.000 (€ 25.800). Dat is € 63.800 per bv, totaal € 127.600 voor de twee bv's samen.

Met een fiscale eenheid worden de winsten eerst samengeteld tot € 600.000. Daarvan valt maar € 200.000 in de lage schijf (€ 38.000) en de resterende € 400.000 in de hoge schijf (25,8% = € 103.200). Totaal: € 141.200. Dat is € 13.600 meer belasting, puur omdat de lage schijf nog maar één keer wordt gebruikt in plaats van twee keer.

Dit effect wordt breder bevestigd: Taxence beschrijft dezelfde mechaniek en noemt ook dat investeringsaftrekken (kleinschaligheids-, energie- en milieu-investeringsaftrek) worden berekend over de samengevoegde investeringen van de hele groep, wat bij hogere totale investeringsbedragen tot een lager aftrekpercentage kan leiden dan wanneer elke bv zelfstandig zou investeren.

Daar komt een ander risico bovenop: binnen een fiscale eenheid kan de Belastingdienst elke deelnemende vennootschap aanspreken voor de volledige vpb-schuld van de hele eenheid, niet alleen voor het deel dat die ene bv zelf heeft veroorzaakt. Loopt één bv in de groep financieel vast, dan voelen de andere bv's dat mee.

Wanneer een fiscale eenheid wel of niet verstandig is

Een fiscale eenheid vpb is vooral interessant als je bv's elkaar fiscaal in de weg zitten: de ene maakt verlies, de andere winst, en je wilt niet wachten tot een later jaar om dat verlies te verrekenen. Ook als je structureel maar met één aangifte wilt werken in plaats van meerdere, scheelt dat administratief werk.

Een fiscale eenheid is minder voordelig zodra meerdere bv's in de groep ieder voor zich al winst maken boven de € 200.000. Dan loop je, zoals in het rekenvoorbeeld hiervoor, structureel meer belasting mis dan je bespaart aan administratie. Hetzelfde geldt als één van je bv's een hoger financieel risico draagt (een aparte onderneming met meer schuld, of een activiteit met meer aansprakelijkheidsrisico): de hoofdelijke aansprakelijkheid binnen de eenheid kan dat risico naar je andere, gezondere bv's doorschuiven.

Omdat elke situatie afhangt van de werkelijke winstverdeling tussen je bv's, de kans op verliezen, en hoeveel risico je bereid bent te delen tussen vennootschappen, is dit geen keuze die je op basis van een algemene vuistregel maakt. Laat je boekhouder of fiscalist met je eigen cijfers doorrekenen wat een fiscale eenheid in jouw geval oplevert of kost, zowel voor dit jaar als voor de jaren waarin de winstverdeling tussen je bv's kan veranderen.

En bedenk dat een fiscale eenheid geen eenmalige keuze voor altijd is: je kunt hem aanvragen zodra de voorwaarden kloppen, en op gezamenlijk verzoek ook weer verbreken zodra de situatie verandert. Alleen werkt verbreken niet terug in de tijd, dus moet je dat moment zelf op tijd signaleren.