Je houdt ergens een lijst met klanten bij. Naam, adres, e-mailadres, misschien een telefoonnummer en een notitie over wat ze ooit hebben gekocht. Die lijst staat in je boekhoudpakket, in een CRM, in een Excel-bestand naast de administratie, of in alle drie.
Voor die lijst gelden twee regelingen die niets met elkaar te maken hebben, maar wel allebei bepalen wat je ermee mag doen. De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) zegt dat je persoonsgegevens niet langer mag bewaren dan nodig is voor het doel waarvoor je ze verzamelde. De fiscale bewaarplicht zegt dat je je administratie, inclusief de klantgegevens die daarin staan, minimaal zeven jaar moet bewaren.
Die twee regelingen botsen niet zozeer als dat ze langs elkaar heen lopen: de ene zet een bovengrens (niet te lang), de andere een ondergrens (niet te kort). Het probleem is dat bijna geen ondernemer dat onderscheid maakt in zijn systemen. Alles staat op één hoop, en die hoop wordt nooit opgeruimd.
Hoe groot dat risico is, liet de aanval op telecomprovider Odido begin 2026 zien. Hackers publiceerden gegevens van 6,5 miljoen mensen en 600.000 bedrijven, en honderden van de gedupeerden waren al jaren geen klant meer. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) onderzoekt nu of Odido die gegevens langer bewaarde dan nodig was. Vicevoorzitter Monique Verdier vatte het principe erachter kernachtig samen:
"Wat er niet is, kan ook niet worden gestolen."
