Elke werknemer met kinderen jonger dan acht jaar heeft recht op ouderschapsverlof. Dat recht staat los van een wachttijd of dienstjaren: het geldt voor beide ouders apart, ook bij een deeltijdcontract of een tijdelijk contract.
De omvang wordt berekend op basis van het aantal uren dat iemand per week werkt. De vaste rekenregel is 26 keer de wekelijkse arbeidsduur. Werkt iemand 32 uur per week, dan is dat 832 uur verlof in totaal. Bij een voltijdbaan van 40 uur komt dat uit op 1.040 uur. Dit verlof mag in overleg met de werkgever verspreid worden opgenomen, voltijds of in deeltijd, tot de achtste verjaardag van het kind.
Bij een adoptie- of pleegkind geldt een andere startdatum: niet de geboorte, maar het moment waarop het kind feitelijk bij het gezin komt wonen. Bij een meerling (bijvoorbeeld een tweeling) ontstaat het recht op ouderschapsverlof voor elk kind afzonderlijk, dus in de praktijk dubbel zoveel uren.
Als werkgever kun je de timing van het verlof niet zomaar weigeren, maar je kunt wel in overleg gaan over de verdeling van de uren als dat de bedrijfsvoering ernstig in de weg zit. Leg de afspraken over spreiding en volume schriftelijk vast, zodat er geen discussie ontstaat over hoeveel uur er al is opgenomen op het moment dat je een uitkering aanvraagt.
