Je betaalt als werkgever een lage of een hoge WW-premie (ook wel AWf-premie genoemd) over het loon van elke medewerker. In 2026 is de lage premie 2,74% en de hoge premie 7,74% — een verschil van 5 procentpunt over het hele jaarloon, zo meldt de Belastingdienst.
Je mag de lage premie toepassen als een arbeidscontract aan drie voorwaarden tegelijk voldoet: het is een contract voor onbepaalde tijd, het staat schriftelijk vastgelegd, en het is geen oproepcontract. Voldoet een contract niet aan alle drie, dan reken je standaard de hoge premie.
Er zijn daarnaast vijf uitzonderingen waarbij je toch de lage premie mag toepassen, ook zonder vast contract. De bekendste twee: medewerkers onder de 21 jaar die maximaal 52 uur per kalendermaand verloond krijgen, en BBL-leerlingen met een schriftelijke praktijkovereenkomst. De overige drie gaan over uitkeringen die via jou als werkgever lopen (WW, ZW, WIA/WAO) en spelen bij de meeste MKB-bedrijven niet.
Het verschil tussen 2,74% en 7,74% loopt voor een medewerker met een gemiddeld loon al snel op tot een paar duizend euro per jaar. Dat maakt de contractvorm een van de weinige plekken in de loonadministratie waar een fout direct in geld is terug te rekenen.
