Een klant betaalt niet, maar vraagt gewoon door: nog een levering, nog een fase in het project, nog een dienst. Moet je dat doen, of mag je wachten tot de rekening is voldaan?
De wet geeft daarvoor een vast antwoord. Volgens artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek mag je de nakoming van je eigen verplichting opschorten als je een opeisbare vordering hebt op je wederpartij, zolang er voldoende samenhang is tussen die vordering en de verplichting die je opschort. De wet noemt expliciet als voorbeeld van voldoende samenhang: verplichtingen die voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding, of uit overeenkomsten die partijen regelmatig met elkaar sluiten.
Dat betekent concreet: stuur je een klant iedere maand een factuur voor een abonnement of een onderhoudscontract, en blijft de betaling van de vorige maand uit? Dan mag je de levering van de volgende maand opschorten, ook al gaat het om twee aparte facturen. Ze vallen onder dezelfde doorlopende afspraak.
Opschorten is geen sanctie en geen verbreking van het contract. Het is een tijdelijk drukmiddel: zodra de klant betaalt, moet je weer leveren. Dat onderscheidt opschorting van ontbinding, waarbij de overeenkomst zelf eindigt, en van retentierecht, waarbij je een zaak van de klant onder je houdt.
