Sinds 1 augustus 2022 geldt de Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden. Die wet voegde leden toe aan artikel 7:611a van het Burgerlijk Wetboek, met één kernregel: scholing die een werkgever verplicht is aan te bieden, moet kosteloos zijn en moet, voor zover mogelijk, binnen werktijd plaatsvinden.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel staat het zo: "Alle kosten die de werknemer moet maken in verband met het volgen van de scholing, zijn voor rekening van de werkgever (bijvoorbeeld reiskosten, boeken en ander studiemateriaal, examengelden)" (Tweede Kamer, Memorie van toelichting, kamerstuk 35962, nr. 3, p. 10). Met andere woorden: niet alleen het cursusgeld zelf, maar ook de bijkomende kosten komen voor rekening van de werkgever, zodra de scholing onder de verplichting valt.
De reden achter de regel is simpel: een werkgever mag een werknemer niet eerst verplichten een cursus te volgen, en vervolgens de rekening daarvoor (deels) bij diezelfde werknemer neerleggen. Voor de praktijk betekent dit dat je als werkgever eerst moet vaststellen of een opleiding onder de verplichting valt, voordat je kunt bepalen of je de kosten mag doorberekenen bij vertrek.
